Onderzoek autisme | Luca

Deze informatie komt van de site:

https://www.gezondheidenco.nl/289421/is-autisme-spectrum-stoornis-en-kenmerken/

ASS is de afkorting voor Autisme Spectrum Stoornis. Voorheen werd er onderscheid gemaakt tussen een aantal ‘vormen’ van Autisme zoals klassiek autisme, Asperger en PDDNOS. Tegenwoordig worden die termen eigenlijk niet meer gebruikt en vallen al die vormen onder de noemer ASS.

ASS is een ontwikkelingsstoornis en mensen met een ASS hebben deze stoornis vanaf hun geboorte. Het is daarbij goed om te realiseren dat mensen dus niet autistisch zijn, maar dat mensen autisme hebben.

Bij mensen met een ASS gaat het in het hoofd anders dan bij mensen zonder een ASS. Zij verwerken informatie (wat ze zien, horen, ruiken, voelen etc.)  in hun hersenen op een andere manier. Dat zorgt ervoor dat mensen met een ASS zichzelf en de wereld om hen heen op een andere manier ervaren. Dat kan problemen met zich meebrengen, maar het kan ook zorgen voor sterke kanten die andere mensen niet hebben.

Wat zijn de kenmerken van ASS?

Je kan ASS niet zien aan iemands uiterlijk, zoals bijvoorbeeld bij het Syndroom van Down. De kenmerken van ASS kunnen grofweg worden onderverdeeld in twee verschillende categorieën:

1.       Moeite/beperkingen in de sociale interactie en communicatie

2.       Repetitief gedrag en specifieke interesses

Hieronder volgt een overzicht hoe die kenmerken in de praktijk tot uiting komen:

1.       Ze  kunnen zich niet of moeilijk inleven in een ander. De vaardigheid om te kunnen inbeelden dat het perspectief van een ander afwijkt van jouw eigen perspectief noemen we “Theory of mind” (TOM). Dit heb je nodig om naar jezelf te kunnen kijken door de ogen van een ander. Het is een noodzakelijke vaardigheid om bijvoorbeeld empathisch te kunnen zijn. Daar hebben mensen met een ASS vaak moeite mee.

 

2.     Ze  hebben vaak moeite met de omgang met anderen omdat ze het lastig vinden om gedrag van een ander te ‘voorspellen’. Ze kunnen soms moeilijk begrijpen waarom iemand anders boos op ze wordt of verdrietig is. Daarom kunnen mensen met een ASS heel angstig zijn in sociale situaties of heel onhandig overkomen.

3.       Ze hebben vaak moeite met het begrijpen van gezichtsuitdrukkingen, lichaamshouding en emoties niet waardoor ze situaties volledig anders kunnen inschatten. Vaak hebben ze ook moeite met het maken van oogcontact.

4.       Mensen met een ASS kunnen ook moeite hebben met wederkerigheid (het over en weer gaan) in het sociale contact. Ze kunnen vaak lang en uitvoerig praten over wat zijzelf interessant vinden maar hebben moeite om interesse op te brengen voor zaken van een ander. Het contact kan daarom vaak aanvoelen als eenrichtingsverkeer. Iemand met een ASS kan daarom soms lang doorgaan met een eigen verhaal zonder in te gaan op de reactie van een ander.

5.       Ze verwerken informatie als losse elementen en niet als een geheel. De neiging om informatie die je opneemt samen te voegen en te verwerken in een context noemen we “Centrale Coherentie”. Mensen met een ASS hebben daar moeite mee. Daarom hebben ze regelmatig moeite de kern van een verhaal te begrijpen. Ook snappen ze grappen vaak niet, omdat die meestal een dubbele betekenis hebben en hebben ze de neiging om wat er gezegd wordt erg letterlijk te nemen.

6.       Ze kunnen veel moeite hebben met planning of het uitvoeren van een taak. Ze hebben meer dan anderen behoefte aan duidelijkheid en aan structuur. Dit komt omdat mensen met een ASS meer moeite hebben met ‘Executieve functies’. Dit zijn denkprocessen die nodig zijn om activiteiten te plannen en te sturen. Voorbeelden van deze functies zijn aandacht richten en  vasthouden, flexibel kunnen zijn als dingen veranderen, ongewenst gedrag kunnen onderdrukken, dingen organiseren en plannen en het reguleren van sociaal gedrag. Hier zit ook enige overlap met ADHD. Mensen met ADHD hebben ook moeite met deze zelfde executieve functies.

7.       Mensen met een ASS hebben vaak angst voor verandering. Daarom willen ze graag vaste en bepaalde routines vasthouden. Het doorbreken van die routines levert veel stress op. Dit kan overkomen als koppigheid. De angst voor de onzekerheid kan bij iemand met een ASS ook zorgen voor boosheid of driftigheid.

8.       Mensen met een ASS kunnen ook erg hevig, of juist helemaal niet, reageren op prikkels als geluid, temperatuur of aanraking. Sommige mensen met ASS vinden het bijvoorbeeld heel vervelend om aangeraakt te worden. Anderen daarentegen reageren bijna niet op diezelfde prikkels en lijken soms ongevoelig voor pijn te zijn.

9.       Vaak hebben mensen met een ASS een bijna buitensporige interesse voor een bepaald onderwerp (fascinaties). Daar weten ze dan vaak ook veel vanaf. Dan kan variëren van het verzamelen van kennis over knikkers, grammafoonspelers of geschiedenis. Ze kunnen uren met hun fascinatie bezig zijn.

Al deze kenmerken passen en horen bij een ASS. Echter kan het zo zijn dat iemand heel veel kenmerken bezit, maar een ander veel minder. Ook ligt het er bij sommige wat dikker bovenop dan bij een ander. Hierdoor is een ASS soms lastig te herkennen. De kenmerken uiten zich dus bij ieder persoon met een ASS weer anders. Niemand is immers hetzelfde.

Sommige mensen met een ASS zijn echte eenlingen en hebben weinig behoefte aan contact met anderen. Anderen hebben juist veel behoefte aan contact, maar vaak op een manier die ‘vreemd’ of wat ‘onhandig’ overkomt. Sommige mensen met een ASS zijn slim, maar anderen hebben een verstandelijke beperking. Sommigen wonen zelfstandig of kunnen met goede begeleiding een behoorlijk zelfstandig leven leiden, anderen hebben hun leven lang veel hulp nodig. Zodoende bestaat er niet zoiets als ‘de autist’.

En ASS bij kinderen?

Wanneer je als ouder kennis hebt over ASS kan je een belangrijke rol spelen in het op tijd herkennen van signalen die kenmerkend zijn voor een ASS. Het lastige is om het onderscheid te kunnen maken tussen kenmerken passend bij een ASS en tussen kenmerken die horen bij een normale ontwikkeling van een kind. Dat betekent dat je zich niet direct zorgen hoeft te maken bij het herkennen van je kind in enkele kenmerken. De kenmerken los van elkaar zijn niet genoeg voor het stellen van de diagnose ASS. Maar wanneer de meerderheid van de kenmerken van toepassing zijn op een kind, dan kan het zijn dat er sprake is van een ASS.

Kinderen van 0-2 met een ASS hebben vaak de volgende kenmerken:

1.       Ze lachen weinig tot niet naar hun ouders;

2.       Ze maken vaak geen oogcontact;

3.       Wanneer ze zich pijn doen vragen ze vaak niet om troost;

4.       Ze hebben geen tot weinig behoefte aan lichamelijk contact;

5.       Tijdens knuffelen kunnen ze zich gaan overstrekken of reageren ze juist helemaal niet;

6.       Ze bereiden zich niet voor om opgepakt te worden wanneer een ouder dat gaat doen;

7.       Ze reageren niet tot weinig wanneer ouders vertrekken;

8.       Ze zwaaien niet naar ouders. Veel vormen van begroeting lijken te ontbreken.

Wanneer het kind ouder wordt, dan wordt er vaak ook meer van een kind gevraagd op sociaal vlak. Het kind komt meer in aanraking met andere kinderen en moet zich in de klas ook staande weten te houden.

Daarom kunnen bij kinderen ouder dan 2 jaar de volgende kenmerken zichtbaar zijn:

1.       Ze spelen niet graag met andere kinderen en nemen daar zelf het initiatief niet voor;

2.       Wanneer ze samen spelen, dan komen ze moeilijk tot samenspel (ze spelen samen, maar toch alleen);

3.       Ze hebben moeite om in te schatten hoe dichtbij ze (lichamelijk) bij anderen kunnen komen;

4.       Er zit weinig verschil in hoe ze met andere kinderen of met volwassenen omgaan;

5.       Ze kunnen op een hele andere manier spelen met speelgoed dan waarvoor het speelgoed bedoeld is (bijvoorbeeld speelgoed op vorm, grootte of kleur sorteren);

6.       Ze zijn gefascineerd door een klein onderdeel van hun speelgoed ( (bijvoorbeeld ze vinden alleen de wieltjes van hun speelgoedauto interessant);

7.       Ze zijn obsessief (dwangmatig) bezig met het uitvoeren van bepaalde handelingen;

8.       Ze wiegen met hun lijf heen en weer, neuriën binnensmonds of bonken met hun hoofd tegen de muur wanneer ze gespannen zijn;

9.       Ze ‘fladderen’ (wapperen) met hun armen en handen wanneer ze opgewonden zijn;

10.   Hun taalontwikkeling komt niet of later dan gemiddeld op gang;

11.   Ze vertonen ‘ouwelijk’ (zeer volwassen) taalgebruik;

12.   Ze nemen erg letterlijk wat er tegen ze gezegd wordt (ze steken bijvoorbeeld hun hoofd in de koelkast wanneer er tegen ze wordt gezegd dat ze moeten afkoelen);

13.   Ze hebben de neiging om te gaan ‘papegaaien'(het zinloos en letterlijk herhalen van eerder gehoorde woorden en zinnen);

14.   Ze reageren nauwelijks op pijnprikkels of reageren niet op hun naam wanneer ze geroepen worden;

15.   Ze reageren overgevoelig op bepaalde geluiden en bedekken dan hun oren of gaan schreeuwen;

16.   Ze hebben vaak een onhandige of stijve motoriek.

https://www.gezondheidenco.nl/289421/is-autisme-spectrum-stoornis-en-kenmerken/

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s